fbpx

Cursus Spaans Alkmaar Krommenie

Wat ga ik leren? Welke grammatica hoort bij

Elke deel bestaat uit 10 lessen van 75 minuten

Op het gemeenschappelijk Europees referentiekader zijn deze cursussen Básico 1 +2 +3 + Conversación 1, gelijkwaardig aan niveau A1.​

Iemand begroeten en afscheid nemen.
Een reservering maken en inchecken bij een hotel.
Vragen welke faciliteiten een hotel, studentenhuis, etc. heeft.
Personen, plaatsen en voorwerpen identificeren.
Plaatsen en voorwerpen beschrijven.
Vertellen over gewoonten of dingen die je op dit moment doet.
Woordenschat: eten, familie, beroepen.
Het gebruik van het werkwoord ‘ser’ om te verwijzen naar een nationaliteit, een beroep, familiebanden en de plaats waar je vandaan komt.
De ‘Presente de indicativo’ van de meest frequente regelmatige werkwoorden.
De verbuiging van het werkwoord afstemmen op het onderwerp van de zin.
Uitspraak, intonatie.
Persoonlijke en bezittelijke voornaamwoorden.
Zelfstandige naamwoorden.
Bepaalde en onbepaalde lidwoorden.
Bijvoeglijke naamwoorden die een kwaliteit uitdrukken: getal en geslacht. Overeenkomst in getal en geslacht met het zelfstandig naamwoord waarnaar ze verwijzen.
Woordgeslacht: het geslacht van een woord leren herkennen door naar de uitgang van het woord te kijken. Veel voorkomende uitzonderingen. Het geslacht van zelfstandige naamwoorden die verwijzen naar personen (beroep, familiebanden, etc.)
Getal: vorming van het meervoud.
Overeenkomst in getal en geslacht.

Iemand begroeten en afscheid nemen.
Personen en gemoedstoestanden beschrijven.
Het verschil tussen ser/llevar/tener bij beschrijvingen.
Iemand voorstellen en reageren als je zelf aan iemand wordt voorgesteld.
De weg vragen en de aanwijzingen opvolgen om op een bepaalde plaats te komen.
Eten bestellen in een restaurant.
Vertellen waarom je Spaans aan het leren bent.
Vertellen over gewoonten of dingen die je op dit moment doet.
Vragen naar voorkeuren en deze zelf uitdrukken.
Zeggen of je iets wel of niet leuk vindt en iemand anders hiernaar vragen.
Hay /está
Het gebruik van het werkwoord ‘estar’ om te zeggen waar voorwerpen en personen zich bevinden.
De werkwoorden ‘gustar’ en ‘encantar’.
De ‘Presente de indicativo’ van de meest frequente onregelmatige werkwoorden.
De meest frequente wederkerende werkwoorden.
Zeggen of iets wel of niet zo is.
Bijvoeglijke naamwoorden die een kwaliteit uitdrukken: getal en geslacht. Overeenkomst in getal en geslacht met het zelfstandig naamwoord waarnaar ze verwijzen.
De reden/oorzaak en het doel/gevolg van iets uitdrukken (porque, para + infinitivo)

Iemand begroeten en afscheid nemen.
Je mening over iets uitdrukken en naar de mening van iemand anders vragen.
Zeggen of je het ergens wel of niet mee eens bent en vragen of iemand anders het ergens wel of niet mee eens is.
Een wens of behoefte uitdrukken en naar de wensen/behoeften van iemand anders vragen.
Praten over gewoonten.
Plaatsen, personen en momenten vergelijken.
De verschillende soorten winkels en wat we daar kopen (kleding, eten etc.).
De verschillende soorten woningen en hun inrichting.
Het gebruik van de ‘Presente de indicativo’ van de meest frequente regelmatige en onregelmatige werkwoorden.
Het gebruik van het werkwoord ‘ser’ om te zeggen of vragen hoe laat het is en om naar de tijd te verwijzen.
Extra argumenten aandragen voor een eigen standpunt of mening. Een ander vragen om een standpunt of mening toe te lichten. (¿No es verdad? (¿Tú crees?)Iets ontkennen.
Zeggen of iets wel of niet zo is.
Directe vraagzinnen
Het gebruik van het werkwoord ‘estar’ in combinatie met bijwoorden die uitdrukken hoe iets gedaan wordt.
Het gebruik van de meest frequente uitdrukkingen die een hoeveelheid aangeven.
Vergelijkingen met ‘kleiner/groter dan’, ‘meer/minder dan’ en ‘even groot/evenveel als’.
Gebruik van de meest frequente vragende voornaamwoorden (Qué, cuál, quién…)
Het lijdend voorwerp: aanwezigheid, afwezigheid en plaats in de zin. De verschillende vormen van het lijdend voorwerp herkennen en gebruiken.
Aanwijzende voornaamwoorden.

Het in de praktijk brengen van de lesstof uit de voorgaande drie cursussen door middel van teksten, extra oefeningen en conversaties over uiteenlopende thema’s. Iedere week wordt er een ander thema gekozen.